Mooie tijden waren het: de eerste milleniumjaren bij de post—nog voordat de post een identiteitscrisis onderging en zijn naam van TPG in TNT Post veranderde om uiteindelijk op het huidige PostNL uit te komen. Ik werkte er toen PTT Post net in TPG Post was gemuteerd, de kleding nog bestond uit onflatterende streepjestruien en de werkvloer tijdens de vroege ochtenduurtjes tijdens het sorteren voor 90% uit mannen bestond die bijna allemaal shag rookten.

Ik was achttien, had net mijn Vwo-diploma gehaald en had een baantje nodig voor mijn reis naar Australië die ik een half jaar later zou gaan maken. Ik stapte op een zomerse dag in juli 2001 de ruimte achter het postkantoor in het pittoreske plaatsje B. binnen, waar alle post werd gesorteerd en klaargezet in bundels, en stapte op de eerste de beste man af: “Ik heb gehoord dat jullie nog mensen nodig hebben.” Uiteraard had ik dat helemaal niet gehoord, maar deze zin heeft me altijd de op dat moment gewenste bijbaan opgeleverd en werd altijd beantwoord met: “Ja, inderdaad.” Ook de economie zat toen nog niet in een identiteitscrisis.

Opgeven of doorbijten?

Na twee dagen meegelopen te hebben met een echte rot in het vak, moest ik alleen op weg en deed iets van acht uur over een wijk waar zes uur voor stond, maar waar de doorgewinterde postbode vier uur over deed. Het huilen heeft me vaak nader gestaan dan het lachen. Enig idee hoe zwaar het is om met je fiets aan de hand met twee volgepropte fietstassen—die de toegestane 25 kilo zwaar overschreden—te lopen? Denk alsjeblieft niet aan de huidige, beschaafde, voorgevormde rechthoekige fietstassen, maar aan de uitgelubberde fietstassen waar je moeder in de jaren 80 mee rondreed terwijl jij in het fietszitje voorop zat. Hoe vaak is mijn fiets niet gaan steigeren, omdat de voorkant te licht was (nog voordat ik daar een rekje op plaatste) en hebben alle bundels post uit mijn fietstassen meerdere keren verspreid over de straat gelegen, het winkelcentrum nog wel. Bekakte vrouwen die hun neus ophielden en me walgend aan keken met een blik van als-dat-maar-niet-mijn-post is.

O mijn handen die er af leken te vriezen! Geen gevoel meer in mijn vingertoppen die op brute wijze werden bloot gesteld aan een snijdende oostenwind, terwijl het regenwater op mijn gezicht zich nog net niet transformeerde tot een brandend laagje ijs. Tot 5 uur ’s middags heb ik wel eens in het donker gelopen, omdat de gemeente (of de bewoners?) verzaakte de stoep te vegen en ik voorzichtig schuifelend mijn dagelijkse kilometers moest afleggen met een onhoudbaar zware fiets. (Sindsdien veeg ik bij de geringste sneeuw braaf de stoep, soms ook die van de buren, speciaal voor onze postbode.) En wat dacht je van honden die hun bek wel door de brievenbus leken te persen om jouw vingers af te bijten? De spinnenwebben die je vol in je gezicht kreeg, omdat niemand eigenlijk door de voordeur naar binnen ging? Of een brievenbus die zo gemaakt lijkt te zijn dat je nog zo hard tegen het minuscule gietijzeren klepje kan duwen, maar je niet verder komt dan een hoekje van de bezorgen brief te klemmen tussen het klepje en de voordeur? De vent op de Leestraat die elke keer de deur woest opengooide om te zeggen dat die andere postbodes de post altijd veel vroeger kwamen brengen (ja,dacht je dat ik voor de lol zo traag was?). Maar zijn buurvrouw stond me voor de feestdagen altijd op te wachten met een doos Merci chocolaatjes. Dan was er nog een huis met een briefje met instructies op de deur of ik de post niet tig straten verderop kon afleveren (deed ik niet). Een jongen die ik moest inwerken stond te kijken naar hoe ik klungelig aan de touwtjes stond te frutten van de steunpostzak (een zak vol met post die je op een derde van je wijk in je inmiddels lege tassen kon inladen) om hem open te maken toen hij opeens zijn (tadaaaaaaaa) megavlindermes tevoorschijn haalde. Mensen die gingen klagen dat hun post iets nattig in hun brievenbus werd gevonden (alsof ik ook nog moet gaan proberen die post volledig droog te houden, on-mo-ge-lijk. Onmogelijk zeg ik je). Of iemand die de deur open deed, bevestigend antwoordde of hij de heer A.B. was, maar vervolgens weigerde de aangetekende brief te tekenen, waardoor ik hem weer terug mee moest nemen. Of de pakketjes die zo discreet verpakt waren dat het niet meer discreet was en ik donders goed wist wat er in die doos zat, terwijl ik droogjes opmerkte “Veel plezier ermee.”

Ik was de traagste postbode. Totdat mijn broertje bij de post kwam werken. Maar iedereen was toegewijd. Je kwam in een cultuur met postbodes die al jaren als postbodes werkten, een verantwoordelijkheidsgevoel hadden, die een brief die tijdens het sorteren ergens tussen was gevallen nog even na gingen brengen, in snellooptempo door de straten raasden en waarvan sommigen nog telegrammen hadden bezorgd. Niet de huisvrouwen van nu die slenterend, op hun dooie gemak in een soort van slowmotion door de straten gaan. Laatst zag ik dat rond een uur of twee drie—ik zeg DRIE!—postbodes bezig waren met de wijk die ex-collega A-J al voor tweeën in zijn eentje had gedaan.

Reorganisatie

Ik had je daarom al van te voren al kunnen zeggen dat dit hele reorganisatieplan niet ging werken en daar hoef je echt niet voor gestudeerd te hebben. Oké, true: het was te gortig dat postbodes betaald kregen voor 12 uur (die dan voor drie wijken stond), terwijl ze er maar zes uur over deden. Dat moest inderdaad aangepast worden. Maar daar had het moeten stoppen. Dacht iemand nou echt dat deze postbodes, die als een sneltreinvaart door de straten denderden, gewoon vervangen konden worden door ongepassioneerde deeltijdwerkers: de moeder/student/vutter waar PostNL naar op zoek is?

Romantiek bij de post?

Degene die dat heeft bedacht heeft waarschijnlijk nog nooit een wijk gelopen. Ik heb anderhalf jaar mijn uiterste best gedaan om niet als allerlaatste terug te komen. De keren dat het gelukt is, zijn op één hand te tellen. En ik was toegewijd, behoorlijk. Het zou niet eens een overwinning zijn op mezelf, of te laten zien aan de rest dat ik best mee kon komen, maar op tijd terug zijn van mijn wijk zou betekenen dat ik B. misschien kon zien, misschien wel met hem zou kunnen praten (Jawel, mijn huidige vriendje B. ken ik van de post. Maar hij zag mij toentertijd niet staan). Ik was ontzettend verliefd en dus erg gedreven om die post zo snel mogelijk op de plaats van bestemming te deponeren om nog een kans te hebben hem te zien.

De herinneringen blijven, met vriendje B. kan ik ze soms ophalen, af en toe denk ik terug aan mijn collega’s, vooral A-J die altijd naast mij zijn wijk stond in te gooien (zoals dat heette), een van de meest humoristische personen ter wereld is en mij dus iedere dag van het nodige, hilarische entertainment voorzag. Maar met enigszins een gevoel van verslagenheid kijk ik terug naar de impact die deze hele reorganisatie heeft gehad op de postbodes die hun baan hebben verloren. Postbodes die goed in hun werk waren, die wijken liepen in kortere tijd dan de drie postbodes die ik afgelopen zaterdag zag.

Ik ben sinds een tijdje opgehouden met de dag voor iemands verjaardag een kaart te sturen, want keer op keer deed de kaart er een week (een WEEK!) over om de geadresseerde, in sommige gevallen slechts 7 km verderop, te bereiken. Ik hoop nu maar gewoon dat de nieuwe bezorger van mijn wijk een beetje het verantwoordelijkheidsgevoel heeft wat de oude postbodes nog hadden en mijn post gewoon in mijn brievenbus aflevert. In ja, en niet ervoor, of er half in. Of ernaast. Of de post van iemand anders (zoals de laatste maand al meerdere keren is gebeurd). Aan mijn postbodevriendelijke brievenbus en geveegde stoep zal het in ieder geval niet liggen.

Heb jij ook een bijbaan waar je met veel plezier naar terugkijkt, ook al was het af en toe afzien? Deel het hieronder in een reactie!