De cursor knippert en geeft als enige het bewijs dat er nog leven is op het verder levenloze scherm. Je realiseert je plots dat je al langere tijd naar dat landschap van witheid zit te staren en dat de tijd om daar iets aan toe doen steeds korter wordt. Genoeg ideeën om dat blanke scherm te vullen met letters, maar deze letters kunnen alleen vorm geven aan ideeën waar je docent morgen niet op zit te wachten. Een idee voor een ander essay, een blog—je kan alvast verklappen dat binnenkort de blog “Obama, 2Pac en slavernij” op je blog te vinden zal zijn, de ideeën zijn al klaar—, een kort verhaal, zelfs ideeën voor scripties gaan door je hoofd. De cursor knippert nog een paar keer en zegt emotieloos “vandaag moet het gebeuren,” alsof de druk nog niet groot genoeg is. Vijfhonderd tot 750 woorden moeten er geproduceerd worden—wat echt niets is, maar vaak moeilijker dan 1500 woorden, omdat dus echt elk woord er toe moet doen— maar het enige wat jij denkt is “koffie, koffie, koffie.”

Verlangen

Een verlangen naar iets wat onbereikbaar is, met dank aan het feit dat je twee jaar eerder je koffieapparaat hebt weggedaan, omdat je de prijs per kopje koffie te duur vond (het ging om zo’n nespressogeval, vijfendertig cent per kopje koffie). Je hebt er spijt van. Vooral nu je aan de tafel zit met dat onbeschreven wit terwijl de geur van Nescafe oploskoffie je neusvleugels onaangenaam beroert. Je hebt nog even geprobeerd bij de buurvrouw aan te bellen voor een kopje koffie (een paar weken geleden had ze al gezegd dat je in noodsituaties best bij haar mag aankloppen voor een bakkie), maar helaas gebeurt er niets nadat je hebt aangebeld en sta je moederziel alleen voor haar deur.

Wit scherm versus psychedelisch behang

De toestand van het scherm is precies het tegenovergestelde van de situatie van de hoofdpersoon waar jij over moet schrijven. In tegenstelling tot de hoofdpersoon van dat verhaal, die de ‘rest cure‘ opgelegd krijgt, heb jij zelf tal van dingen te doen—’intellectuele dingen’ zoals het schrijven van dat essay vandaag, maar ook andere klusjes moeten gebeuren, de was bijvoorbeeld. Je to-do lijst is oneindig. De hoofdpersoon van het verhaal waar jij over moet schrijven (“The Yellow Wall-Paper” van Charlotte Perkins Gilman) mag niets doen en als gevolg daarvan zit ze de hele dag naar de muur te staren. Letterlijk. Deze muur is niet wit, zoals de digitale muur waarnaar ik nu naar zit te turen, maar behangen met een of ander raar patroon dat tot leven lijkt te komen. Over dit verhaal kan je eigenlijk wel genoeg schrijven: repressie, Freud, feminisme, depressie, om maar een paar steekwoorden te noemen. (Bij nader inzien is het eigenlijk niet zo anders, wat jij en zij moet meemaken. Jullie willen beiden van alles, alles behalve die muur, of deze nou wit is of een psychedelisch patroon heeft, maar jullie zijn veroordeeld alleen maar dat ene te doen, dat ene wat je nou net wil doen en wat ervoor zorgt dat je al dat andere niet mag of kan doen.)

Korte verhalen uit de late 19e eeuw

Maargoed, je probleem is niet een probleem geworden omdat je niets over dat ene verhaal weet te schrijven, maar je moet dit verhaal met drie andere verhalen verbinden in dat nog te schrijven essay: deze verhalen microscopisch samengevat, een verhaal over voodoo op een boerderij in de tijd van de slavernij in America (Chesnutt—”The Goophered Grapevine”), een verhaal over een man die door zijn verloofde de oorlog ingestuurd wordt en niet meer terugkomt (William Dean Howells—”Editha”) en een verhaal over een meisje die veel geld kan verdienen door te verklappen waar een bijzonder vogeltje zijn nest heeft, maar kiest voor het leven van het vogeltje (Sarah Orne Jewett—”A White Heron”).

Alle vier verhalen zijn geschreven in de late 19e eeuw door Amerikaanse schrijvers. Alle verhalen gaan over de gewone mens, erg realistisch dus. Geen verhalen over prinsen of prinsessen, ridders of koningen. En de verhalen zijn ‘klein’: geen intriges, geen bedrog, geen verre reizen. Het belicht wat eerder onbelicht is geweest. Personen die tot minderheden horen (vrouwen, slaven).

Statisch scherm binnen, beweeglijkheid buiten

witscherm

En toch blijft die cursor knipperen. Je voegt twee scheppen suiker toe aan je oploskoffie die inmiddels lauw is geworden. Je rekt je uit, knakt je rug even op prettige wijze door over de leuning van je stoel naar achteren te gaan hangen. Je ziet dat de lucht blauw is, de zon schijnt en de achterbuurvrouw naar je zit te staren door haar slaapkamerraam—zoals ze wel vaker doet, al is dat beter dan dat ze naar haar behang kijkt en een nervous breakdown krijgt, zoals de hoofdpersoon van de tekst waar je over moet schrijven—oja, de tekst! Bouwvakkers lopen door de straat, want op zo’n vijftig meter links en rechts van je huis worden twee flatgebouwen gestript en weer opnieuw opgebouwd (gemoderniseerd heet dat), terwijl een mechanisch gebonk op de achtergrond je aandacht vangt. Een bouwvakker kijkt naar binnen en ziet jou wezenloos naar je scherm staren, terwijl hij het zweet in zijn bilnaad voelt glijden van het harde werken. “Sommige mensen hebben ook niets te doen,” denkt hij, terwijl jouw hersens zo hard kraken, dat je steeds denkt dat iemand met een koevoet de voordeur aan het openbreken is op klaarlichte dag.

Oja, de cursor. Weer een half uur minder vandaag. Iets met realisme, minderheden en repressie. Ja.

Een goed begin…

En je besluit nog maar een kopje smerige koffie te maken. Misschien helpt dat. En tegelijkertijd besef je: ik mag blij zijn dat ik tenminste nog wat kan veranderen aan dat witte scherm. Want er zijn ook mensen die een wit scherm krijgen als gevolg van een virus, waardoor ze buitenspel worden gezet en niet meer zelf in staat zijn nog iets aan het lot van het witte scherm te veranderen, hulp moeten inschakelen en bij de buurvrouw zullen moeten aanbellen voor een kop koffie en het lenen van een laptop. Bovendien is de koffie op de UU (Universiteit Utrecht, jawel), beduidend ranziger—nee, niet ranzig, ondrinkbaar, ja, ondrinkbaar.

Gedachten gaan in het rond. De tijd tikt door. Een paar dakpannen zijn inmiddels op het dak van een van de flats gelegd. Het papier in de straat is opgehaald. De auto die door de straat rijdt, rijdt veel te hard vind je.  De postbode is wel heel erg jong, hoe oud zou ze zijn? Vijftien? Zestien? Je ergert je aan de sokken van vriend B. die je in de huiskamer ziet zwerven tussen de rotzooi van jezelf en ineens zie je een verlaten kladblokje met notities op de bank liggen.

Oja, het essay. Het scherm. En je besluit maar gewoon te beginnen:

Annemarie Sint Jago

Studentnummer…