Ik heb een grote kracht die tevens een een grote beperking is in sommige gevallen. Ik heb namelijk last van te veel creativiteit. Vraag mij naar ideeën voor wat dan ook en ik geef ze je, schud ze zo uit mijn mouw alsof het niets is. Het is ook niets voor me. Net als ademen. Het is er gewoon en ik doe het zonder inspanning.

Er is wel één voorwaarde: ik heb een beginpunt nodig. Ik kwam bijvoorbeeld laatst een schrijfwedstrijd tegen die wordt gehouden in het pittoreske dorp (of is het tegenwoordig een stadje) waar ik woon. Het thema is “schaduw” en meteen na het lezen van dit woord vlogen er zoveel gedachten door mijn hoofd dat ik niet eens kans had om zelfs maar bij de helft stil te staan. Te veel creativiteit of inspiratie dus. Maar hoe kan dat nou een probleem zijn?

Het probleem is dat ik ’s avonds na een uur of acht mijn hoofd niet meer moet prikkelen. Ik kan dan namelijk niet meer stoppen met denken, wat uiteindelijk leidt tot een nacht waarin ik steeds mijn nachtlampje aanklik om op te schrijven wat ik denk (in de hoop dat dat het denken zal stoppen) en vervolgens het nachtlampje weer uitknip in de tevergeefse hoop echt in slaap te kunnen vallen.

Na zo’n vijf minuten dringen allerlei wilde ideeën zich weer aan mij op die zonde zijn om vergeten te worden, dus gaat het lampje weer aan. Schrijven. Lampje uit. Gedachten, lampje aan, etc. Zo’n twee uur later besluit ik dan meestal maar helemaal uit bed te gaan en maar een heel stuk te gaan schrijven. Meestal duurt het nog zo’n twee uur voordat mijn hoofd helemaal rustig is voordat ik echt in slaap kan vallen.

Je ziet het probleem.

De beste ideeën kondigen zich echter rond dit soort tijdstippen aan, waardoor ik niet altijd de kracht heb mezelf te behoeden voor een stortvloed van nieuwe ideeën. De laatste keer is er een geweldig verhaal uitgekomen (vind ik zelf) dat ik heb ingestuurd naar de wedstrijd waar ik het eerder over had. Hoe zeer te veel creativiteit dus best lastig kan zijn, het brengt in de meeste gevallen iets goeds.